Ondernemen en het Cultuurplan 2013-2016

Het cultuurplan is er! Op punten kan deze nog worden gewijzigd maar de uitgangspunten staan er. Het document is hier te lezen. Wat mogen ondernemers en instellingen in deze sector ervan verwachten?

Ondernemerschap is het toverwoord of, zo u wilt, het cliché van het moment. Dat is op zich niet onlogisch want willen we evenveel cultuur houden met minder overheidsbijdrage, zal er geld uit de markt moeten komen.

Definitie ondernemerschap volgens DKC

‘Ondernemerschap in de culturele sector veronderstelt dat instellingen zich richten op professionele, inhoudelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, vanuit een eigen visie en strategie. Dat betekent dat wij ervan uitgaan dat de culturele organisaties zich ook bewust zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, hun omgeving (regionaal, nationaal en internationaal) en hoe zij zich tot de stad verhouden’.

Definitie volgens het competentie woordenboek

‘Signaleren van kansen in de markt, zowel voor bestaande als nieuwe producten/diensten, ernaar handelen en daarbij risico’s durven nemen’.

Twee dingen vallen meteen op. In de definitie van DKC komt het woord ‘markt’ niet voor, evenals het woord ‘risico’. DKC spreekt ook niet over ondernemers in het cultuurplan, maar over ‘instellingen’. Het lijkt alsof het plan is geschreven vanuit de gedachte dat (gesubsidieerde) instellingen de partijen zijn die aan de culturele sector vormen.  Deze denkwijze is geen breuk met de traditie en geeft geen vorm of inhoud aan ‘echt’ cultureel ondernemerschap en doet daarmee niet gesubsidieerde instellingen tekort.

De cultuurmarkt

Op pagina 6 wordt expliciet gezegd dat de noodzaak tot bezuinigen noopt tot een ‘heroriëntatie met de marktsector’. Niet helemaal duidelijk is wat er nu met de marktsector wordt bedoeld. Zijn dat de culturele ondernemers of juist het bedrijfsleven dat meer zou moeten bijdragen aan deze sector? In elk geval blijft onduidelijk waartoe die heroriëntatie zou moeten leiden en hoe daar concreet invulling aan wordt gegeven.

De cultuurmarkt is een eigenaardige markt. Ten eerste volgt in tegenstelling tot een veel andere markten de vraag het aanbod. Ten tweede is de overheid op deze markt de grootste speler en beïnvloed zij deze markt in grote mate. Dit schept een grote verantwoordelijkheid voor de overheid, met name in de richting van ondernemers in deze markt. Als je geen (overheids)subsidie krijgt laat je als ondernemer een grote ‘klant’ liggen en dus zullen de meeste ondernemers ook vroeg of laat noodgedwongen een subsidie aanvragen.

Is dit dan een pleidooi voor het afschaffen van subsidies? In elk geval is het geen pleidooi voor de besteding van publiek geld aan cultuur. Vanuit de collectieve inkoop gedachte zal dit een noodzakelijk middel zijn waarvoor geen denkbaar efficiënt alternatief is. Misschien is een heroriëntatie over subsidiering wel op zijn plaats. Als we ‘voor de discussie’ even kort door de bocht zeggen dat de overheid met het cultuurbudget leefbaarheid in de stad koopt als uitgangspunt nemen. Diezelfde overheid zou zich dan de vraag kunnen stellen welke partij kan tegen de beste prijs die leefbaarheid leveren.

Cultuursubsidies worden in de regel gegeven aan instellingen zonder winstoogmerk. Ondernemers vallen dus automatisch af als partij om deze leefbaarheid bij in te kopen. Deze vanzelfsprekendheid zou ik graag ter discussie stellen. Uiteraard ben ik me ervan bewust dat hier ook allerlei (Europese) regelgeving aan ten grondslag ligt. Gevolg is echter wel dat ondernemers, willen zij aanspraak maken op subsidie, een stichting oprichten. Er is een veelheid aan stichtingen die feitelijk onder de controle staan van een ondernemer. Ik heb daar het gevoel bij dat we elkaar een beetje voor de gek houden. Dit woud aan stichtingen kost ook nog eens veel geld en energie om in stand te houden.

Een voorbeeld

Een groot evenementenkantoor in Rotterdam laten we deze XYZ noemen organiseert al jaar en dag een gratis toegankelijk festival in Rotterdam. Formeel gezien wordt het festival georganiseerd door Stichting ABC, gevestigd op hetzelfde adres. ABC laat de werkzaamheden grotendeels over aan XYZ en andere vaste partners. ABC vraagt zelden of nooit een concurrerende offerte aan voor de productie of programmering. De vraag is dan ook hoe onafhankelijk deze stichting daadwerkelijk is.

De onderneming loopt zo geen risico, maar kan er ook niet meer aan verdienen dan in de aanvragen is vastgelegd en volgens de regels van cultural governance is toegestaan. De stichting zou nog wel een winst kunnen maken, maar kan die niet uitkeren. Ook aan de meeste instellingen is er een maximum gesteld aan de vermogensreserve die zij mogen opbouwen. Hou je veel geld over als stichting dan probeer je dat middels extra uitgaven te doen anders loop je het risico volgens jaar minder geld te krijgen. Er is nu dus bijna geen stichting te vinden die voldoende reserve heeft opgebouwd om eventuele significante kortingen als gevolg van de bezuinigingen op te vangen.

Deze situatie werkt ondernemerschap tegen. Het nemen van risico, en het beloont worden voor het goed presteren, zijn blijkbaar geen uitgangspunten bij subsidieverstrekking.  Dat kan anders.

Alternatief

Dat is niet eenvoudig. Je zou naar de mogelijkheid kunnen kijken om een vehikel (gefinancierd door overheid, bedrijfsleven en particulieren) op te tuigen dat investeert in cultuur en risico’s afdekt en dat ook zaken doet met ondernemingen. Zo kan je kappen in het woud van stichtingen. Door niet altijd te subsidiëren, maar garanties te geven aan risicovolle culturele activiteiten met minder geld, toch een hoop mogelijk te maken. Tevens zou de mogelijkheid er moeten zijn om een premie op risico te incasseren zodat de geldstroom die ontstaat duurzaam wordt.

Traditioneel wordt er geld gegeven aan een aantal instellingen die (middels een stichting) zelf programma inkopen. Voor een ‘maker’ is het dus geprogrammeerd worden of niet. Het is heel lastig om (voor eigen rekening en risico) een plek te vinden in de stad. Een verschuiving van subsidie van culturele ‘facilitators’ naar makers van cultuur zou meer dynamiek in de markt kunnen brengen. De bakstenen moeten dan zaken doen met inhoud waarbij zij meer met elkaar zullen strijden om aantrekkelijke partijen binnen te halen. De makers op hun beurt zullen meer worden uitgedaagd om naar hun publiek te kijken als financieringsbron. Dat ga je vanzelf doen als je risico neemt en dit niet automatisch overlaat aan de beheerder van de stenen. Zo zou in de popsector het ‘spelen voor de deur(opbrengst)’ weer terug kunnen komen. Door de manier van financieren is dit in Nederland in tegenstelling tot veel andere landen uitgestorven. Zo krijgen ondernemende bands meer kansen.

Nieuwe generatie cultuurmakers en publiek

In het cultuurplan wordt aangegeven dat er meer ruimte moet komen voor een nieuwe generatie makers en publiek. Nog niet duidelijk is, hoe dit bereikt wordt. Sowieso ontbreken helder en meetbaar geformuleerde doelstellingen in dit plan. Dit wijkt overigens niet af van de meeste stukken die vanuit het stadhuis komen. Om dit te verwezenlijken is meer nodig dan alleen opschrijven dat je het wil.

Samenvattend

De culturele markt is een complexe markt. Hoewel de gemeente als een van de drie speerpunten ‘ondernemerschap’ noemt (naast Levendige binnenstad en Talentontwikkeling). Heeft zij duidelijk moeite hier beleid op te maken. Misschien eens een echte ondernemer vragen en niet weer een of andere professor in de ‘Cultuurkunde’. Het is crisis, laat die niet verloren gaan!

Hans Mosselman.

0 antwoorden

Laat een reactie achter

Wilt u zich mengen in de discussie?
Voel u niet bezwaard om bij te dragen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>